Naamonderzoek Scribonius – Grapheus – De Scrijvere – De Schrijver
Indien we teruggaan naar de vierde en vijfde eeuw na Christus hadden de mensen in regel 1 naam. Het was als het ware een roepnaam en dat was toentertijd voldoende om te kunnen worden geïdentificeerd in de leefgemeenschap.
Die roepnamen hadden toen een betekenis die eerder een karaktertrek van het individu belichtte. Namen in verband met moed, strijdlust of krijgskunst waren legio. De oudste laag van deze namen was éénstemmig. Brecht (de schitterende), Bald (de sterke) zijn er voorbeelden van. Zoals je voorheen kon lezen komt onze naam uit het Romeinse Rijk en bestonden er daar reeds voor onze tijdsrekening echte namen…
Vanaf de latere zesde eeuw werden de namen tweeledig en hoorde je Gerhard, Wilhelm, Bernhard en dergelijke. Vanaf de achtste eeuw verliezen de namen de betekenis van de karaktertrek van de persoon op wie ze sloegen. De namen kregen vaak een tweeledige vorm met een stuk van vader en moeder erin verwerkt, vb : Gerhard en Sieglinde krijgen een dochter en wordt Gerlinde.
In de zesde eeuw telde de aarde naar schatting 190 miljoen mensen. India telde reeds 50 miljoen inwoners of méér dan 26 % van de wereldbevolking. In 534 zou een groot komeetfragment de aarde hebben getroffen,waardoor het méér dan een jaar donker werd door een “nucleaire” winter.
Aanwijzingen hiervoor vond men terug via de jaarringen in de bomen die in die periode inder-daad op een vertekent weerbeeld wijzen door de zeer smalle ringen door het gebrek aan licht.
In de tiende eeuw ontmoet men vooral namen met Bald of Hard voor jongens en Linde of Gende voor meisjes. Deze naamonderdelen waren vaak gebonden aan de clan waartoe de persoon in kwestie behoorde. Rond die tijd is er ook reeds een “mode” in de naamgeving waar te nemen.
Vanaf het jaar 1000 doen de Christelijke namen hun intrede. Door de toename van de bevolking in onze streken ontstaat stilaan de nood aan een soort “bijnaam” om personen met dezelfde roep naam te onderscheiden.Die bijnamen werden onze achternamen/familienamen en zijn ofwel afge leid van de naam van de vader, zijn beroep, woonplaats of een fysiek kenmerk of karaktertrek.
Reeds vanaf de 12de eeuw was het in onze streken de gewoonte om familienamen te gebruiken. Vandaar de grote verschillen met onze Noorderburen die onder druk van Napoleon verplicht werden een familienaam te hebben en voordien niet de nood hadden zo’n naam te gebruiken. Nederland was véél minder bevolkt en gebruikten veelal patroniemen. De familienaam werd ook erfelijk. Vandaar dat het zéér moeilijk wordt om een stamboom voor die tijd samen te stellen.
Een onderscheid tussen de Vlaamse en Brabantse namen vind zijn oorsprong in de scheiding door Dender en Schelde. In het Westen leefden eerder Saksische stammen, in Brabant zaten de Frankische of Germaanse stammen. Zo komt het dat men in het Westen eerder U dan O vind in de naamgeving en Strubbe dus Strobbe is aan de overkant. In het Westen vind men ook eerder Claeys terwijl in Brabant eerder Claes zal voorkomen.
Afstammings- of verwantschapsnamen: Patroniemen, zijn veelal vaders namen, de grootste groep waarvan iedereen wel voorbeelden kent. Ook moedersnamen bestaan, het kind van Isabel zal op die manier Verbelen gaan heten met de familienaam. Callens komt bijvoorbeeld van Cathelijne, de Vadder van het oude vadder, wat dooppeter betekende of Deneve voor een kind dat een naamgeving op een neef doelend betekent. In het westen vind men ook vaak genitieven zodat het kind van Willem of van peter, Willems of Peeters gaat heten, in Limburg gebeurde dit ook maar ging men een andere genetiefvorm gebruiken en werd het kind van Willem Willemen of het kind van Marie Mariën.
Het zoeken in een stamboom is ook voor mij heel boeiend gebleken. De tekst hierboven is op basis van een voorstelling door Professor Magda Devos, verbonden aan de Universiteit van Leuven.
Erasmus, een goede vriend van Cyprianus Grapheus de Schrijver, evenals Dirk Maertens van Aalst
Livinius Scribonius Grapheus zou geboren zijn tussen 1415 en 1425 te Aalst, Deze zou een zoon Josephus of Joost genoemd in geschriften Scribonius Grapheus hebben gehad die in 't Aalsterse woonde. Zijn zoon werd terug Livinius Scribonius Grapheus, geboren te Aalst in 1484 en geves-tigd als Landbouwer te Haaltert. De andere zoon werd geboren in 1482 en luisterde naar de naam Cyprianus Cornelius Ghrapheus, geboren te Aalst en verhuist met zijn vrouw naar De Heerlijkheid Okegem.
In Okegem werd hij Baljuw in 1521 en verhuisde later naar Antwerpen, waar hij werd aangesteld als Stadssecretaris. Cyprianus Cornelius de Schrijver, alias Scribonius Grapheus.
Schilderij van ene Abraham Grapheus uit de 15e eeuw. In deze periode kreeg ik vele zaken toegezonden, er wordt nogal veel zou en kan gebruikt. Bovendien worden er niet altijd duidelijke bewijzen meegezonden zodat zekerheid niet 100 % gewaarborgd is en er eerder met waarschijnlijkheid wordt gegoocheld. Cyprianus heeft uiteraard zeker bestaan, alles rond zijn persoon is echter vrij flou.
TER VERDUIDELIJKING
C1.Een knipsel uit de databank van het LVA “De heerlijkheid van Okegem en Idevoorde: verkoping der goederen CORNELIS Marcel” Verkoop van de heerlijkheid Okegem en Idevoorde
2. Een knipsel uit een elektronische brochure met de grote lijnen van de geschiedenis der Ninoofse deelgemeenten De Heerlijkheden Okegem en Idevoorde. De vondst van een silex (geslepen steen) en zeer oude muntstukken alhier in 1854, verwijst naar een vroege vorm van bewoning langsheen de Dender. De heerlijkheid van Okegem, afhangend van het grafelijk leenhof "ten stene" te Aalst (dus persoonlijk bezit van de graaf van Vlaanderen),was naar alle waarschijnlijkheid van de 12e tot de 14e eeuw in leen gegeven aan de gelijknamige familie. De oudste bekende, " Willem van Okegem", komt met enkele andere edelen voor in een charter van 1188. Later vinden we " Goswinus van Okegem" en in 1197 "Walterus van Okeghem" als medeondertekenaar van een akte van Gillis van Boelaere.Op het einde van de 13e eeuw wordt een "Willem van Okegem" vermeld als meier van de graaf.Hij werd door ridder Hugo van der Borst vermoord. Volgens monnik-historicus Sanderus (17e eeuw) kwam Okegem in 1399 onder het gebied van de heren van Ninove. Hoelang deze laatste in het bezit van deze heerlijkheid bleven, werd niet teruggevonden. Vermoedelijk keerde de heerlijkheid terug tot de grafelijke kroon en dit tot in 1638, toen " Claudia van Liedekerke,vrouwe van Haussy" , ze met de heerlijkheid van Idevoorde (op grondgebied Okegem) tot leenpand verkreeg. Vervolgens ging het dorp over in de handen van "De familie de Boussu" tot in 1700. Weinige tijd nadien kwam de heerlijkheid in handen van "Jan-Baptiste Sturtewagen". Door openbare verkoping ging de heerlijkheid over aan "Jozef de Landre", die ze in 1782 voor 12700 gulden verkocht aan "Lodewijk-Jozef de Coninck", ridder van het Heilig Roomse Rijk, heer van Outer, Sint-Gillis,...(zie ook de Heren van Outer) .
Na diens dood viel het te beurt aan "Ferdinant de Coninck" , zoon van de eerstgenoemde. Naast de dorpsheerlijkheid was er te Okegem ook de heerlijkheid van Idevoorde. Hier stond, in de nabijheid van de dorpskerk, het oud-heerlijk kasteel, dat reeds in 15e eeuw was vernietigd. Dit leengoed was achtereenvolgens in het bezit van de heer van Liedekerke, van Jan van Gistel en van de Roubaix. Het kwam in 1729 in het bezit van , "Jan-Baptiste Sturtewagen" heer van Ninove, aan wiens opvolgers het leengoed tot het einde van de 18e eeuw bleef toebehoren.
B) Hypotheses en bedenkingen In de bron die hij aanhaalt lees ik op pagina 625 dat ene Cypriaan De Scrijvere omstreeks 1540 baljuw was van Okegem. Punt. Geboren te Geraards-bergen?? De Schrijveran dit boek vermeldt dit niet.
Wie was er de heer die de baljuw aanstelde? Kan daarover dan informatie gevonden worden in Aalst of moet die elders gezocht worden? Het is natuurlijk mogelijk dat er van een baljuw sporen terug te vinden zijn in het archief van het Land van Aalst. Of van het Grafelijk Leen-hof van Ten Stene. Via de inventarissen moet dit met vrij grote zekerheid te achterhalen zijn. Okegem of tenminste heerlijkheden op het grondgebied van Okegem, hebben in de loop der jaren ook nog connecties gehad met Ninove. Of moet er eerder worden gezocht in Geraards-bergen als men weet dat een voorvader daar vandaan komt.
Cornelius Scribonius Grapheus De Scrijvere (De Schrijver) , 1482-1558, zoon van Joost de Schrijver, een van de grote humanisten van de Nederlanden, die als geboorteplaats "Aalst" opgeeft, stadssecretaris werd in Antwerpen en aldaar ook overleed, weliswaar niet zonder een ruime kroost op de wereld te zetten (o.m. Alexander) was dus een wijs man.
CORNELIUS GRAPHEUS DE SCHRIJVER DAN…
Cornelis Grapheus, in het Vlaams: Schrijver, secretaris van de stad Antwerpen, een vriend van Erasmus, was een uitstekend man. Hij had veel gereisd en veel geleerd, en ofschoon met een van de voornaamste betrekkingen bekleed in de keizerlijke stad waarin hij woonde, offerde hij veel tijd aan lezen op. Het geschrift van Jan van Goch over de vrijheid van de Christelijke godsdienst bekoorde hem, en dewijl hij ook anderen het genot wenste te verschaffen dat hij zelf had gesmaakt, vertaalde hij het in het Vlaams, met een voorbericht, waarin hij zonder kwade bedoeling diegenen berispte, welke de Christenen een nutteloos juk oplegden; elk verstandig mens zei er hetzelfde van. Toen Grapheus bemerkte dat deze woorden met toejuiching ontvangen werden, dacht hij niet dat hij door ze te uiten een blijk van moed had gegeven.
Doch de beide inquisiteurs voor wie hij een schitterende buit uitmaakte, riepen dat het een misdaad was, over een juk te durven spreken, sprongen op hun prooi toe en grepen Grapheus in zijn huis, in tegenwoordigheid van zijn vrouw en zijn verschrikte kinderen. De gehele stad was als verplet: hoe, een van de eerste overheidspersonen van de stad, een geacht man, die Italië heeft bereisd, die de schilderkunst, de muziek, de dichtkunst beoefent, zulk een man zou een ketter zijn….
Toen eenmaal het slachtoffer in de gevangenis was, lazen de inquisiteurs het aangevallen geschrift, plozen het regel voor regel uit en stelden een verschrikkelijke acte van beschuldiging op. Grapheus, een geleerde, een overheidspersoon, kunstenaar, geletterd man, was het meest verwonderd van allen. Hij had gemeend een eenvoudig letterkundig opstel te schrijven, en verbaasde zich voor een Godgeleerde te worden gehouden; dit was in zijn ogen een eer die hem niet toekwam en die hij geenszins begeerde. Hij zei, evenals Erasmus: "Geen martelaar!" Aan zijn geliefd gezin te worden wedergegeven, welks enige steun hij was, dat was zijn begeerte. Hij trachtte zich behoorlijk te verontschuldigen. "Als ik van een juk gesproken heb," zei hij, "was dit niet in een geest van twistgierigheid; ik vraag verschoning voor mijn vermetelheid en ben bereid mijn dwalingen te herroepen." Maar de pauselijke partij was onvermurwbaar en wierp hem in een donker hok.
De beide inquisiteurs, die Erasmus niet durfden aantasten, wensten zijnen vriend te treffen en door zijn voorbeeld de letterkundige schrik aan te jagen. Zij lieten op het hoofdplein van Brussel een verhevenheid oprichten; een grote menigte volks omsingelde haar, en de secretaris van Antwerpen verscheen er op. Hij was er alleen op bedacht zijn rustig leven terug te krijgen, opnieuw op zijn bureau te zijn en aan de familiedis aan te zitten, en om dat te verkrijgen was hij tot alles bereid. Op bevel van de inquisiteurs was hij terstond gereed de artikelen van zijn voorbericht te herroepen en wierp het zelfs in 't vuur; het had hem zoveel leed berokkend. Grapheus was geen Lutheraan, hij was slechts een Erasmiaan, en nog meer zou hij gedaan hebben om zijn vrijheid te herkrijgen. Hij meende haar verkregen te hebben, doch de rechters, wier toegeeflijkheid hij had ingeroepen, veroordeelden hem tot verbeurte zijner goederen, tot ontslag uit alle ambten en tot levenslange gevangenisstraf. Ziedaar wat men beloopt, wanneer men in een land waar inquisiteurs zijn over een juk durft spreken.
De ongelukkige, alleen in zijn hok, betreurde zijn letterkundige verhandeling, en dacht alleen aan vrouw en kinderen; hij besloot zich tot de kanselier van Braband te wenden. "Ik heb dit voorbericht opgesteld," zei hij, ,,als een letterkundig werk om mijn bekwaamheid te oefenen. O, wat was het mij beter geweest voor een dwaas, een domoor, een toneelspeler of enig ander verachtelijk schepsel door te gaan, dan door mijn geringe talenten tot aanzienlijke betrekkingen te geraken!
Zoveel lieden staat men toe hun verhalen, hun toneelstukken, hun tarces, hun spotschriften, hoe oneerbaar zij ook zijn, in 't licht te geven; maar men onderdrukt een burger, omdat hij deel heeft gehad aan de menselijke zwakheid. Terwijl Grapheus onder het wrede juk van Rome gebogen ging, was hij volkomen bereid te zeggen dat het juk zelfs niet eens bestond. Hij verzocht als een grote gunst dat men hem de stad Antwerpen tot zijn gevangenis aanwees, opdat hij de middelen mocht verkrijgen om zijn huisgezin te onderhouden.
Al zijn vertogen waren vruchteloos. Voor een letterkundige overtreding zuchtte een van de eerste overheidspersonen van de Nederlanden jaren lang in de kerkers van de stad die hij bestuurd had. Het schijnt evenwel dat hij later vrij werd gelaten, maar niet in zijn ambt hersteld. Zulke voorbeelden tonen dat Rome niet alleen het Evangelie, maar zelfs de beschaving, de verlichting, de vrijheid niet kon uitstaan.
Een wreder lot zou in deze zelfde stad Antwerpen een waar Evangelieverkondiger treffen, een man van grote kennis en tevens met een diep gevoel en een levend, standvastig geloof bedeeld.
GOUDAEN (Willem), gezworen landmeter te Haarlem, sloeg daar in 1581 aan de kerkdeur vraagstukken aan betreffende veelhoeken en binomische wortelvormen, van het eerste waarvan Claes Pietersz. (I kol. 1414) Oct. 1581 kennis kreeg door den amsterdamschen notaris Herman Grapheus. Hij zond 16 Oct. d.a.v. aan G. de oplossing met een nieuwe kwestie over den vijfhoek, die echter door dezen werd stilgezwegen, totdat hij het ‘hem vercierende met vreemde pluymen’ 27 Mrt. 1583 mede binnen Haarlem in het openbaar aansloeg. Met Grapheus, Gideon Fallet en de haarlemmer poorters Jacob Lauff, ‘procureur postulant voor den vierschaer’, Mr. Hendrik Dircksz. Mess en Pieter Jansz. Smeer, begaf Claes Pietersz. zich daarom Pinksteren 1583 opnieuw naar G., die hem echter als te laat gekomen beschouwde om den beloofden prijs te winnen. Ook was dit het geval met Ludolf van Ceulen, die door den delftschen bierbrouwer Claes Cornelisz. 17 Juni 1583 kennis kreeg van G.'s voorstel ‘met schriftelyck nooden ende beroepinge van allen liefhebberen van de const Arithmetica ende Geometria ende belooninge van een prijs’ en die het vóór 27 Juni had opgelost. Hoewel van Ceulen reeds 22 Juni aan G. de oplossing wilde geven
Het Italiaansche Nuovo Testamento, in 1538 uitgegeven door Joannes Grapheus, is de vertaling van Antonio Brucioli († 1554), den rumoerigen Florentijn, een der peripathetici, die zich in de heerlijke tuinen van Bernard Rucellaï aan het genot van geleerde gesprekken overleverden, doch door Julius van Medici verbannen, naar Frankrijk vluchtte. Hij keerde te Florence terug met hervormingsgezinde gedachten, en ontsnapte enkel door tusschenkomst van zijn vrienden aan zware straffen.
Hij vertrok naar Venetië, waar hij met zijn twee broeders, drukkers van beroep, de Biblia tradotta in lingua toscana uitgaf, dei kettersche invloeden verraadt. Deze vertaling is het, die J. Grapheus herdrukte.
Onder de werken met reformatorische strekking te Antwerpen uitgegeven, verdienen een bijzondere melding de geschriften van Jan Pupper van Goch (Gochius Joh. Pupper), die in 1549 te Mechelen het klooster der zusters Augustinessen oprichtte, die de Reforprior was. Hij ontwikkelde begrippen, die de Reformatie van Luther in zekeren zin als het ware voor-uitliepen, en na zijn dood in 1475 werden zijn werken door de Duitsche Lutheranen uitgegeven en door het Concilie van Trente als kettersch op den Index gebracht. Dit is nl. het geval met zijn Epistola apologetica super doctrina doctorum scholasticorum en vooral met 't tractaat De libertate Christiana, uitgegeven het eerste ± 1520 bij den vriend van Erasmus
vrijdag 5 juni 2009
woensdag 3 juni 2009
Op een bepaalde leeftijd denk je na en wil je wel eens weten waar je naam vandaan komt. Op die manier begon ook ik een zoektocht, op basis van een document van een verder familielid om opzoekingen te doen rond de naam De Schrijver. Elke keer ga ik trachten dit verder aan te vullen en u mee te nemen op een boeiende tocht!
In bepaalde eeuwen is er echter zo weinig voorhanden dat opzoekwerk onmogelijk is en de noodzaak op enige improvisatie nodig is.
De eerste tekenen van onze naam vind zijn oorsprong in de vijfde eeuw voor Christus!!! De naam De Schrijver was toen nog Scribonius.
In 260 voor Christus was er Scribonius Libo, Libo leidde een aantal militaire operaties. Zijn zoon, Lucius Scribonius Libo was een politicus ten tijde van de Romeinse Republiek.
Hij was volkstribuun (Latijns: tribunus plebis) in 216 v.Chr., het jaar van de slag bij Cannae tussen de Romeinen en de Carthaagse veldheer Hannibal. Lucius Scribonius, een verwant van Scribonius Libo, werd door Hannibal naar Rome gestuurd om over het losgeld te onderhandelen. Scribonius Libo diende een voorstel (rogatio) in om de door de Carthagers gevangen genomen Romeinen vrij te kopen, maar dit werd niet aangenomen. Datzelfde jaar werd hij gekozen tot lid van het college (triumviratus) dat verantwoordelijk was voor de staatskas; de triumviri mensarii.
Zijn zoon vervolgens, Lucius Scribonius Libo was een politicus ten tijde van de Romeinse Republiek.
Scribonius Libo was aedilis curulis in 193 v.Chr., samen met Aulus Atilius Serranus, die in 170 v.Chr. consul zou worden. Zij waren de aediles die de jaarlijkse Ludi Megalenses of Megalesia in Rome introduceerden.[1] Dit zesdaagse festival met spelen ter ere van Magna Mater werd in 203 v.Chr. door Pessinus naar Rome gebracht, maar na dat jaar niet meer gevierd tot 193 v.Chr.
In 185 v.Chr. werd hij gekozen tot lid van het college (triumviratus) dat verantwoordelijk was voor de stichting van coloniae; het triumviri coloniae deducendae.
Libo Scribonius Curio was de zoon van Scribonius Libo, 151 v.Christus
Gaius Scribonius Curio (praetor in 121 v.Chr.)
Gaius Scribonius Curio (consul in 76 v.Chr.)
Gaius Scribonius Curio (volkstribuun in 50 v.Chr.)
Lucius Scribonius Libo (consul in 34 v.Chr.)
Scribonia, tweede vrouw van Augustus
Lucius Scribonius Libo (consul in 16), zoon van Lucius Scribonius Libo (consul in 34 v.Chr.)
Marcus Scribonius Libo Drusus, broer van Lucius Scribonius Libo, beschuldigd van samenzwering tegen Tiberius, Germanicus en Drusus II in 16. Hij pleegde zelfmoord.
Scribonius Largus, geneesheer van keizer Claudius De vruchten uit het amygdalusgeslacht zijn van oertijds gekend om hun heilzame werking. In praktisch alle kruidenboeken van alle beschavingen kwamen ze voort. Reeds in het Oude China rond 2700 voor de jaartelling vindt men ze terug in het oudst gekend kruidenboek Pen Tsao Kang-Mu, toegeschreven aan de Chinese keizer Shennung. Later dan bij de Romeinen vinden we ze terug bij Aulus Cornelius Celsus en Scribonius Largus, beiden rond het jaar 0. Deze laatste geeft de bittere amandel zelfs aan tegen blaaskanker. Plinus de Oude (Wijze?) bespreekt het therapeutisch effect van bittere amandelolie in condylomata. Na hem raadt de invloedrijke Galenus amandelen in scirrhus van de lever aan. Priscianus en Empiricus behandelen gezwellen met amandelen.
bereidde collyria op basis van minerale geneesmiddelen waarvan de recepten in de 4de eeuw door Marcellus zijn neergeschreven. Een andere stempel, teruggevonden in Houtain-l'Evêque, geeft ons de naam van de arts, Titus, en twee recepten die in de lijn liggen van de klassieke Romeinse geneeskunde; ze gelijken sterk op de recepten van Scribonius Largus (1ste eeuw).
Inderdaad, de naam De Schrijver gaat héél ver terug! De zoon van Scribonius Largus werd uitgezonden naar Galië om als opperbevelhebber van de troepen over het Romeinse rijk te waken. De familie kreeg er vele nakomelingen.
In bepaalde eeuwen is er echter zo weinig voorhanden dat opzoekwerk onmogelijk is en de noodzaak op enige improvisatie nodig is.
De eerste tekenen van onze naam vind zijn oorsprong in de vijfde eeuw voor Christus!!! De naam De Schrijver was toen nog Scribonius.
In 260 voor Christus was er Scribonius Libo, Libo leidde een aantal militaire operaties. Zijn zoon, Lucius Scribonius Libo was een politicus ten tijde van de Romeinse Republiek.
Hij was volkstribuun (Latijns: tribunus plebis) in 216 v.Chr., het jaar van de slag bij Cannae tussen de Romeinen en de Carthaagse veldheer Hannibal. Lucius Scribonius, een verwant van Scribonius Libo, werd door Hannibal naar Rome gestuurd om over het losgeld te onderhandelen. Scribonius Libo diende een voorstel (rogatio) in om de door de Carthagers gevangen genomen Romeinen vrij te kopen, maar dit werd niet aangenomen. Datzelfde jaar werd hij gekozen tot lid van het college (triumviratus) dat verantwoordelijk was voor de staatskas; de triumviri mensarii.
Zijn zoon vervolgens, Lucius Scribonius Libo was een politicus ten tijde van de Romeinse Republiek.
Scribonius Libo was aedilis curulis in 193 v.Chr., samen met Aulus Atilius Serranus, die in 170 v.Chr. consul zou worden. Zij waren de aediles die de jaarlijkse Ludi Megalenses of Megalesia in Rome introduceerden.[1] Dit zesdaagse festival met spelen ter ere van Magna Mater werd in 203 v.Chr. door Pessinus naar Rome gebracht, maar na dat jaar niet meer gevierd tot 193 v.Chr.
In 185 v.Chr. werd hij gekozen tot lid van het college (triumviratus) dat verantwoordelijk was voor de stichting van coloniae; het triumviri coloniae deducendae.
Libo Scribonius Curio was de zoon van Scribonius Libo, 151 v.Christus
Gaius Scribonius Curio (praetor in 121 v.Chr.)
Gaius Scribonius Curio (consul in 76 v.Chr.)
Gaius Scribonius Curio (volkstribuun in 50 v.Chr.)
Lucius Scribonius Libo (consul in 34 v.Chr.)
Scribonia, tweede vrouw van Augustus
Lucius Scribonius Libo (consul in 16), zoon van Lucius Scribonius Libo (consul in 34 v.Chr.)
Marcus Scribonius Libo Drusus, broer van Lucius Scribonius Libo, beschuldigd van samenzwering tegen Tiberius, Germanicus en Drusus II in 16. Hij pleegde zelfmoord.
Scribonius Largus, geneesheer van keizer Claudius De vruchten uit het amygdalusgeslacht zijn van oertijds gekend om hun heilzame werking. In praktisch alle kruidenboeken van alle beschavingen kwamen ze voort. Reeds in het Oude China rond 2700 voor de jaartelling vindt men ze terug in het oudst gekend kruidenboek Pen Tsao Kang-Mu, toegeschreven aan de Chinese keizer Shennung. Later dan bij de Romeinen vinden we ze terug bij Aulus Cornelius Celsus en Scribonius Largus, beiden rond het jaar 0. Deze laatste geeft de bittere amandel zelfs aan tegen blaaskanker. Plinus de Oude (Wijze?) bespreekt het therapeutisch effect van bittere amandelolie in condylomata. Na hem raadt de invloedrijke Galenus amandelen in scirrhus van de lever aan. Priscianus en Empiricus behandelen gezwellen met amandelen.
bereidde collyria op basis van minerale geneesmiddelen waarvan de recepten in de 4de eeuw door Marcellus zijn neergeschreven. Een andere stempel, teruggevonden in Houtain-l'Evêque, geeft ons de naam van de arts, Titus, en twee recepten die in de lijn liggen van de klassieke Romeinse geneeskunde; ze gelijken sterk op de recepten van Scribonius Largus (1ste eeuw).
Inderdaad, de naam De Schrijver gaat héél ver terug! De zoon van Scribonius Largus werd uitgezonden naar Galië om als opperbevelhebber van de troepen over het Romeinse rijk te waken. De familie kreeg er vele nakomelingen.
Abonneren op:
Posts (Atom)